©Conseo
 

Kind in de knel

  • Ondersteun de vader en de fantastische moeder die elk willen Có-Ouderen, zelf samen kinderen opvoeden, al dan niet samen wónend. Verbeter taal politiek en cultuur van het maatschappelijk middenveld opdat váder ook in de traditionele gebieden wordt gerespecteerd. Wij moedigen aan vol te houden met grootbrengen van kinderen in voorspoed en geluk …
stop vaderloosheid in Haïti
woensdag 18 april 2012

Slepende strijd voor Vader en grootbrengen kinderen


Een gescheiden man weet na vier jaar juridische strijd eindelijk een regeling voor zijn kinderen af te dwingen. Met kerstmis besluit zijn ex-vrouw tot achterhouden van kinderen. De regeling werkt redelijk goed, totdat ex-vrouw overdragen van de kinderen weigert. Tot wie kan Vader en politieman Bas van 't Hof zich dan wenden?

Surfnet verzocht aan Kind in de knel deze video meer toegankelijk maken op het internet. Aan de oorspronkelijke versie op de Kind in de knel site, liet via-via het hilversumse EenVandaag reclame van ING-bank vooraf gaan, wat snelheid van politie-onderzoek heeft gehinderd.

Labels: ,

  •      
donderdag 4 februari 2010

Stop gemeentelijke vervreemding van kinderen

Ouderorganisaties hebben wensen voor wat de politie kan doen met betrekking tot kinderen. We zien graag dat wordt opgetreden tegen vrouwen die weigeren vader's naam op te geven bij geboorte-aangifte en zijn kind willen weghouden uit zijn leven. Wanneer de recherche meewerkt met het zorgvuldig rapporteren van waarnemingen, helpt dit bij het opsporen van vaderverstoting. Op die manier wordt de rechterlijke macht béter geïnformeerd over wat gaande is.

Provinciaal toezicht

Dat het niet mee valt om aan deze wensen tegemoet te komen, ondervindt ook politieman Bart Koppenol. Zijn collega's krijgen onvoldoende leiding bij het speurwerk dat nodig is om ouderschap in banen te leiden. Soms werkt ook een gemeente onvoldoende mee, het is een hele klus om van de wijkagent in de wijk waar zijn kind en vrouw wonen alle medewerking rond te krijgen en dat kan soepeler. In de meeste steden werkt de gemeente wél mee, zo kan een vader via het loket burgerzaken het adres achterhalen in het geval zijn kind en vrouw verhuisd zijn. Toch wordt hier en daar een geboorte-aangifte opgenomen zonder dat vader's naam te vinden is op de kaart van de gemeenschappelijke basis administratie. Mocht het jouw kind treffen of een vader onder jouw buurtgenoten, vrienden of familie, meldt dit aan het provinciaal toezicht. Indien een afschrift wordt gezonden naar de redactie van Kindindeknel dan kunnen wij in samenwerking met de provincie dit zonodig verder geleiden richting politiek.

Een aantal van die vrouwen verweert zich met hand en tand tegen de vader van hun kind, zij strooien allerlei achterklap over de vader rond. Wanneer de vader geen aangifte doet van laster, smaad en discriminatie, kan zijn maatschappelijke positie en die van zijn gezin onder druk komen.

Bij de gang van zo'n vrouw langs psychiatrische hulpverlening is het nodig haar kwaadaardig gedrag te behandelen en hieraan kunnen kwaliteitseisen gesteld zoals het betrekken van het slachtoffer bij de behandeling. Soms krijgt zo'n vrouw gesprekken met een hulpverleenster van onvoldoende niveau die haar zelfs verloren herinneringen van 'huiselijk geweld' inprent. Dan kunnen armoede en vaderloosheid voor het kind het gevolg zijn, met ernstige ontwikkelingsstoornissen en vaak leerproblemen.

Uw gemeentelijke milieu

Het milieu van zo'n vrouw is weerbarstig en gemeentebesturen huiveren té vaak om in te grijpen, bang als men is voor perikelen in verkiezingstijd. Jarenlang probeerden lokale carrière politici de andere kant op te kijken wanneer dit soort problemen aan de orde worden gesteld. De opvolgers waar wij aanstaande 3 maart uit kunnen kiezen zitten nu met de gebakken peren. De kosten drukken via jeugdzorg en bijstandsuitkeringen op de gemeentelijke begrotingen en het rijk verlaagt de uitkeringen uit het gemeentefonds. Eigenlijk zegt het rijk daarmee doodleuk 'zoek het maar uit op jullie eigen niveau'.

Financieel economische gevolgen

Bij alleenstaande vrouwen groeit een hele generatie van vaak kansloze kinderen op. Deze kinderen zullen niet in staat zijn in een woning te wonen met een beetje WOZ-waarde (de afkorting WOZ staat voor Wet Onroerend Zaak). Daar komt bij dat de vaders die het treft intussen zóveel steun krijgen uit de maatschappij, dat zij vanwege repressie van anderen die van weeromstuit ontstaat, hun koopwoning dreigen te verliezen. De hele grondslag voor de inning van de gemeentelijke belasting komt op de helling. Voor would-be politici die al blij zijn om voor vier jaar te worden gekozen is dit geen probleem. Echter wil men vérder in het vak groeien en een mooi pensioen bereiken, dan kán men niet om Kindindeknel heen. Wanneer het vaderschap van lokale politici niet álles op álles zet om sámen te werken met vaders en onze redactie om onze verloren kinderen onder de hoede te nemen, ziet het er zelfs voor landelijke politici slecht uit.

Het landelijke werk

Jan de Wit spreekt de Tweede Kamer toe

Jan de Wit van de Socialistische Partij en Piet Hein Donner helpen in alle opzichten bij tot uitvoering doen brengen van de wet gelijkwaardige ouders, dit zijn mannen waar je iets aan hebt. Daarom is logisch dat Jan de Wit voorzitter is van de tweedekamer commissie die de crisis bekijkt. De commissie zoekt achtergronden bij toezichthouders van internetbank IceSave, ook zij zijn vervreemd van de kern van het probleem dat het vertrouwen in de waarde van huizen over de hele wereld op zijn grondvesten doet schudden. In financiële systematieken worden soms fouten gemaakt en een veronderstelling dat ook in IJsland onopgevoede gescheiden kinderen aan het werk zijn is van betekenis en verdient nader onderzoek. Echter op veel brédere schaal worden fouten gemaakt met erkenning van hun op middenklasse niveau functionerende vaders. Alleen de waarneming dat op zovele plaatsen het zoveel béter kan en moet, zal het voortduren van de crisis in óns land beperken, dat is het werk van Kindindeknel en aangelinkte organisaties. Voor reilen en zeilen van sociale economie heeft erkennen van moderne ouders enorm belang, dit is té veel en té vaak onderschat als achtergrond van crisis.

Beide ouders

Het komt aan op het moeilijke werk ook in eigen land om het eigen kiezerspotentieel op te voeden en in het gareel te houden. Velen met een achtergrond in bevolkingsgroepen waar de Socialistische Partij vertrouwd mee is, zijn doorgebroken in een goed betaalde baan in onderwijs, gezondheidszorg of politie. In deze ver-feminiseerde branches bestaat vaak onvoldoende verantwoordelijkheid om mee te werken aan héel ouderschap en gedégen grootbrengen van de kinderen. Van professionals verwacht Kindindeknel méer en wij zijn bereid bij te dragen aan onderwijs en na-scholingscursussen voor deze professionals opdat ze in hun gemeente mee kúnnen werken én werken aan datgene wat de nieuw te kiezen gemeentebestuurders voorstaan, namelijk een lokale sociale economie die wél functioneert.

Wij vragen:

  • De nu tomeloze gekte van psychiatrische moeders aan te pakken, zij moeten eens grenzen leren ervaren.
  • Politie-agenten die zoeken naar recht voor hun kinderen niet discrimineren maar ruim baan geven voor hun werk van orde scheppen en verloren kinderen terugbrengen naar hun vader.

Petitie - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

De redactie van Kindindeknel tekende als eerste De Petitie om het vaderverstotings syndroom tegen te gaan, direct gevolgd door Pieter Maarten Legene van SOS-Papa. Steun óok de petitie van Bart Koppenol en stel een daad ter verbetering van de volksgezondheid in uw éigen gemeente.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Petitie

Labels:

  •      
woensdag 20 januari 2010

Behoud van familieleven bij scheiden is feestje waard

Feestjes nadat stellen in onderlinge overeenstemming uit elkaar gaan bestaan alweer een tijdje. Daar speelt het britse warenhuis Debenhans op in. Gescheiden mensen hebben immers ook een nieuwe uitzet nodig en die kunnen vrienden uit een wenslijst kiezen of aankruisen.

Volgens Nu.nl kent Debenhans ook tegenstanders zoals verenigingen die zich inzetten voor het behoud van familieleven. Kindindeknel zet zich in voor behoud van familieleven en is van mening dat het in onderlinge overeenstemming uit elkaar gaan een kunst is die gevierd mag worden. Het samenwonen zonder kinderen alvorens te huwen is bedoeld als proef en bevordert het maken van een juiste partnerkeuze. Beproefde partnerkeuze is bepalend voor kwaliteit van huwelijk en het voorspoedig en gelukkig grootbrengen van kinderen.

Ook het in onderlinge overeenstemming beëindigen van een huwelijk mét kinderen is een feestje waard, zelfs wanneer mediatie nodig was om zo ver te komen. Geef bekendheid aan de onderling gemaakte afspraken aan familie en vrienden in de aanloop naar- en tijdens de party. Op die manier kun je latere achterklap en het aanzetten zelfs tot ruzie tijdig de kop indrukken. Begrip en acceptatie door de omgeving van het gescheiden wonen draagt bij aan toekomst voor een succesvol Co-ouderschap.

Naast de wenslijst heeft het engelse warenhuis tevens een reeks felicitatie- en scheidingskaarten in de aanbieding.

valentijnslot

Labels:

  •      
maandag 7 september 2009

Fricties tussen mensen en traditionele justitie

Steeds vaker wordt een beroep gedaan op rechtsbijstand: via een advocaat, een mediator of het juridisch loket. Dat concludeert de Monitor gesubsidieerde rechtsbijstand 2008 die vandaag is verschenen. In 2008 werden 422.530 subsidie toevoegingen afgegeven aan advocaten en mediators voor het verlenen van rechtsbijstand. Het geroep om rechtsbijstand zou toenemen door feodale streken van justitie apparaat. Volgens kind in de knel neemt de frequentie van fricties tussen mensen en justitie alarmerend toe. Ten opzichte van het jaar 2000 is het aantal toevoegingen met 44 procent gestegen, de straftoevoegingen stegen het meest.

Door koppeling met gegevens van het centraal bureau voor de statistiek (CBS) worden van gebruikers van het stelsel achtergrondkenmerken in kaart gebracht. Vooral alleenstaande moeders, uitkeringsgerechtigden en niet-westerse allochtonen komen in aanmerking. Met cijfers van het CBS over inkomen en gezinssamenstelling is berekend dat 39 procent van de nederlandse bevolking daarbij aanspraak kan maken op subsidie voor rechtsbijstand. 61 procent kan dat niet.

In 2008 nam het aantal toevoegingen toe dat aan mediators werd verstrekt. Maar in vergelijking met rechtsbijstand door advocaten komt het slechts langzaam van de grond. In 2008 verleenden ruim 7.100 advocaten gesubsidieerde rechtsbijstand, iets meer dan het jaar ervoor. Dit is 44 procent van de advocaten die bij de nederlandse orde van advocaten (NOvA) staan ingeschreven. Het merendeel van de advocaten doet géen pro deo werk. Het aantal juridisch loketklanten is opnieuw gestegen van 600.000 klanten in 2007 naar 664.000 in 2008. Dit is een stijging met 11 procent, aanzienlijk hoger dan de inkomensstijging.

De De monitor gesubsidieerde rechtsbijstand verschaft getalsmatig inzicht in toekomst, heden en verleden van gesubsidieerde rechtsbijstand. Evaluatiepunten zijn:

  1. Toegankelijkheid van het stelsel voor (minder draagkrachtige) rechtzoekenden
  2. Aanbod aan rechtsbijstandverleners
  3. Kwaliteit van de gesubsidieerde rechtsbijstand

Kwaliteit van mensen binnen justitie was voor het jaar 2008 geen onderwerp voor de monitor.

Méer informatie

Over kwaliteit van mensen binnen justitie is thans géen meerdere informatie. Volgens een ministerie van justitie doorlichting toegang tot het recht juni 2008 kan de rechtsbijstands voorziening op breed draagvlak rekenen. Dus hun conclusie dat controle op financiële middelen adequaat wordt uitgevoerd klopt niet.

Labels:

  •      
dinsdag 10 maart 2009

Ex-moeders vaker gedaagd door justitie

Het aantal rechtszaken over niet nakomen van afspraken met gescheiden vaders gaat de komende tijd flink stijgen. Dat zeggen familierecht- deskundigen, belangengroepen voor ouders en kinderbescherming. Zij komen tot die conclusie na rechtszaken waarbij vrouwen tot taakstraffen zijn veroordeeld omdat zij het grootbrengen door vader frustreren.

Vaders klagen regelmatig dat zij met lege handen staan als ex-moeders afspraken over de kinderen niet nakomen. Volgens zeggen hebben de afgelopen weken zeventien mannen aangifte gedaan.

Dat vader en moeder beiden blijven grootbrengen nadat zij gescheiden gaan wonen, is vastgelegd in Co-Ouder regels die sinds 1 maart 2009 van kracht zijn. In de 20e eeuwse praktijk werd verblijf vaak toegewezen aan alleen de moeder. Als een vrouw kwaad wilde kon zij vaders omgang belemmeren, aangiftes van vader werden destijds door het openbaar ministerie vaak niet in behandeling genomen. Kinderbescherming erkent dat vaders tot nu toe te vaak aan het kortste eind trokken wanneer een ex de boel frustreerde. Rechtszaken werken preventief : Nu jurisprudentie bestaat, gaan we uit dat vaders vaker aangifte doen, zegt een woordvoerder Kinderbescherming.

Gescheiden vaders zoeken kwaliteit voor grootbrengen van hun kroost en willen dit vaak zelf ter hand nemen, indien nodig samen met kinderopvang. Bijzonder is dat nu twee keer een taakstraf aan een ex is opgelegd. Bestuurslid Paul de Gier van vereniging Familierecht advocaten scheidingsbemiddelaars (FAS) verwacht dat veel meer aangiften volgen.

Ik ben mijn kinderen nooit vergeten…

Vader Ben

De knuffels, paardenposters en kindertekeningen van
zijn oudste dochter bewaart Ben (44) allemaal nog.

Foto : GPD / Inge van Mill

Zijn oudste dochter van 11 jaar kwam nooit meer bij hem nadat ze na een weekend door zijn ex werd terug geroepen. Dat was vijf jaar geleden. Zijn andere kinderen -ze zijn nu vijftien en elf jaar- bezochten hem éens in de veertien dagen éen avond plus de helft van vakanties. Een krap half jaar later was ook dat afgelopen. Vader Ben heeft onlangs de ultieme maatregel genomen : deed aangifte tegen zijn ex wegens onttrekking van de kinderen aan vader. Dat is een misdrijf artikel 279 wetboek van strafrecht.

Volgens het parket generaal van het openbaar ministerie zijn vorig jaar tweehonderd aangiftes gedaan wegens onttrekking aan de ouderlijke macht. 120 keer door vader en 80 keer door moeder, hoeveel daarvan in rechtszaken is uitgemond is niet onbekend.

Oude regeling

Met het burgerlijk wetboek in de hand kan de benadeelde partij -meestal de vader- binnen zes weken een beroep doen op de civiele rechter. Daarvoor moest hij dan eerst een dure advocaat in de arm nemen. Uitvoering van de regelingen door justitie op platland was in de 20e eeuw nog vaak gatenkaas. Daarom zijn sinds 1 maart 2009 alle scheidende ouders verplicht tot opstellen van een  ouderplan . Sindsdien gelden waarden en principes van Kind in de knel zowel in steden als ook op het platteland.

Ommekeer

Juist nu een ouderplan verplicht is bij scheiding zal -als éen van beiden zich daar niet aan houdt- het aantal aangiftes in verband met onttrekking toenemen, verwachten scheidings deskundigen en belangengroepen. Echter de sancties zijn onvoldoende, zegt Fred Schonewille, bemiddelaar scheiden en tevens docent en onderzoeker civiel (= beschaafd, red.) recht aan universiteit van Utrecht.

Schonewille vindt dat aangifte zonder advocaat moet kunnen : In dit soort zaken helpt alleen lik-op-stuk beleid. Het heeft geen effect als een zaak na zes weken nog eens voor de rechter komt. Daarom snapt hij dat veel vaders nu blij zijn met de mogelijkheid van aangifte doen bij politie en justitie. Hij denkt dat de drie recente strafzaken een ommekeer betekenen : Dat vrouwen nu meteen door hun advocaat of mediator worden gewaarschuwd heeft een afschrikwekkend effect.

Volgens Schonewille heeft het openbaar ministerie de aangiften lange tijd niet serieus genomen. Gedacht werd dat kinderen beter af zijn met een vrouw. Liever een ouder niét zien, dan ruzie tussen vader en die vrouw. Steeds meer komt men achter dat kinderen béide ouders nodig hebben : Een ouders moet inzien dat ze als partner is gescheiden en niet als vrouw.

Voorzitter Pvda te Amsterdam Hans Spekman

Verzekerde toekomst …

De Raad van State brengt af en toe een negatief advies uit, toch kunnen burgervoorstellen krachtig uitwerken. Dat heeft ook de Utrechter Hans Spekman ervaren, hij was éen van de initiatiefnemers van een speciale voetbalwet die geweld van hooligans tegengaat. Spekman : Wanneer je als vrouw aangifte zou moeten doen wanneer je partner onverhoopt met hooligans meegaat, zouden bij FC Utrecht thuiswedstrijden nog steeds dezelfde situaties zijn als in Rotterdam. Tegenwoordig is hij voorzitter van de Pvda in Amsterdam.

Daarmee is vader Ben het helemaal eens. Zélf je ex voor de rechter dagen zou ten koste zijn gegaan van de kinderen : Het zou van mij een boze vader hebben gemaakt en handen vol geld hebben gekost. Het bewaren van lieve vrede met ex is al moeilijk genoeg. Dus een overheid die afspraken handhaaft brengt ons voorspoed en geluk voor vader en kroost.

Ouderplan

Het nieuwe plan is gunstig voor grootbrengen, menen scheidingsdeskundigen. Het maakt deel uit van scheiden ook voor ouders die geen geregistreerd partnerschap / huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan met hulp van een notaris. Bij gehuwden zie je vaak dat zij nog geen ouderplan hebben, dan moeten ze bij beëindigen van samenwonen alsnog om de tafel. De regeling wil de zorg voor kinderen door béide ouders garanderen, ook wanneer dergelijke huwelijken eindigen. Met het ouderplan maken zij afspraken over opvoeden, zoals waar het kroost verblijft gedurende het weekend en door de week.

21 april 2013

Labels: , ,

  •      
dinsdag 29 april 2008

Division of power civil- and governmental judgement


Together with our european service institute we manage an online copy identical with the original one beneath. The verdict of the dutch Central Counsel of Appeal on the division of power between civil- and governmental judgement also can be read at their site 'LJN BD1113'.

The administrator,
handtekening



--------------- LJN: BD1113, Centrale Raad van Beroep, nummer 07/5227 WJZ ---------------

Datum uitspraak: 29-04-2008
Datum publicatie: 07-05-2008
Rechtsgebied:      Sociale zekerheid
Soort procedure:  Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Indicatiebesluiten wet op de jeugdzorg.
Rechtsmachtverdeling tussen de kinderrechter als civiele rechter en de kinderrechter als bestuursrechter. Hoger beroep tegen uitspraken van de kinderrechter als bestuursrechter moet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juli 2007, 287483 / JE RK 07-1107 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, gevestigd te ’s-Gravenhage (hierna: Bureau Jeugdzorg Haaglanden)

Datum uitspraak: 29 april 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. N.J.M. Mul, arts te Raalte, hoger beroep ingesteld.

De secretaris van de Raad van State heeft, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de zaak doorgezonden aan de Centrale Raad van Beroep.

Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. Mul. Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De op 22 april 2004 geboren zoon van appellante (hierna: minderjarige) is vanaf september 2004 door de kinderrechter met toepassing van artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onder toezicht gesteld. Tevens is door de kinderrechter ten aanzien van de minderjarige met toepassing van artikel 1:261 van het BW vanaf september 2004 - en met uitzondering van de periode van januari 2005 tot en met maart 2005 - een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, voor zover in dit geding van belang laatstelijk tot en met 18 april 2007.

1.2. In het kader van een mogelijke verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing vanaf 19 april 2007 heeft Bureau Jeugdzorg Haaglanden bij (indicatie)besluit van 23 februari 2007 bepaald dat de minderjarige op grond van de Wet op de jeugdzorg (hierna: WJZ) is aangewezen op “jeugdhulp thuis individueel. Aantal contacturen: 1” en op “verblijf pleegouder 24 uurs. Aantal dagen per week: 7. Aantal uren per etmaal: 24”. Daarbij is onder andere vermeld: “Dit indicatiebesluit treedt pas in werking als voor de uithuisplaatsing een machtiging van de kinderrechter is verkregen. De kinderrechter bepaalt hoe lang de zorg nodig is. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt dit besluit.”.

1.3. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen het indicatiebesluit van 23 februari 2007.

1.4. Bij - civielrechtelijke - beschikking van 17 april 2007 heeft de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage met toepassing van artikel 1:254 van het BW de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd voor de periode van 19 april 2007 tot en met 18 april 2008 en, ter effectuering van het indicatiebesluit van 23 februari 2007, met toepassing van artikel 1:261 van het BW de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd voor de periode van 19 april 2007 tot en met 18 oktober 2007.

1.5. Bij besluit van 25 april 2007 heeft Bureau Jeugdzorg Haaglanden het bezwaar tegen het indicatiebesluit van 23 februari 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

1.6. In verband met het herstellen van een bevoegdheidsgebrek heeft Bureau Jeugdzorg Haaglanden het besluit van 25 april 2007 ingetrokken en vervangen door een verbeterd besluit met dezelfde strekking, gedateerd 29 juni 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de kinderrechter het namens appellante tegen het besluit van 25 april 2007 ingestelde beroep met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht geacht tegen het besluit van 29 juni 2007, en het beroep ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de kinderrechter ter zitting van 17 april 2007, die is voorafgegaan aan de beschikking van 17 april 2007 waarbij de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd, niet heeft willen ingaan op de door appellante naar voren gebrachte - inhoudelijke - bezwaren tegen het indicatiebesluit van 23 februari 2007 omdat daarvoor andere procedures aangewezen zouden zijn. Met verwijzing naar artikel 5, vijfde lid, van de WJZ is appellante van mening dat de kinderrechter in de - civielrechtelijke - beschikking van 17 april 2007 (ook) het indicatiebesluit van 23 februari 2007 inhoudelijk had moeten toetsen. Nu dit niet is gebeurd, dient volgens appellante een afzonderlijke - bestuursrechtelijke - rechtsgang tegen het indicatiebesluit van 23 februari 2007 open te staan omdat anders sprake zou zijn van “rechtsweigering”. Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft daarom het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en de kinderrechter heeft bij de aangevallen uitspraak deze beslissing ten onrechte in stand gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, eerste volzin, van de WJZ heeft een cliënt slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge de WJZ als de bevoegde stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de cliënt op die zorg is aangewezen.

4.1.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WJZ heeft een stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt, tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

4.1.3. In artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de WJZ is bepaald dat tot de in artikel 5, eerste lid, van de WJZ bedoelde taak behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op jeugdzorg waarop ingevolge de WJZ aanspraak bestaat of op zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat.

4.1.4. In artikel 6, eerste en tweede lid, van de WJZ zijn nadere bepalingen opgenomen over de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de WJZ.

4.1.5. Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de WJZ vervalt de aanspraak op zorg, naast de in artikel 6, derde lid, van de WJZ genoemde gevallen, voorts indien de bevoegde stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt een besluit neemt waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt niet langer is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de WJZ.

4.1.6. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, van de WJZ is in afwijking van artikel 8:7 van de Awb voor beroepen tegen beschikkingen, gegeven op grond van de artikelen 5, tweede lid, en 6, vierde lid, van de WJZ, bevoegd de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de bevoegde stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt haar zetel heeft.

4.1.7. Artikel 1:261, eerste en tweede lid, van het BW - voor zover hier van belang - luidt:
“1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de stichting [die een bureau jeugdzorg instandhoudt,] op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. (…)
2. Indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het verzoek overgelegd. (…).”.

4.1.8. Artikel 3, vierde lid, eerste en tweede volzin, van de WJZ luidt: “Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt het besluit.”.

4.1.9. Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de WJZ en evenmin tegen een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de WJZ voor zover dit besluit is genomen ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, van de WJZ of in artikel 10, eerste lid, onder c, van de WJZ met uitzondering van de daarin bedoelde nazorg en de daarin genoemde begeleiding, bedoeld in artikel 77h van het Wetboek van Strafrecht.

4.2. De Raad ziet aanleiding zich allereerst in algemene zin uit te laten over het stelsel van rechtsbescherming met betrekking tot geschillen over indicatiestelling in het kader van de WJZ.

4.2.1. Tegen een (indicatie)besluit als bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, 6, eerste en tweede lid, en 6, vierde lid, van de WJZ kan op grond van de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep bij de rechtbank worden ingesteld, tenzij het een besluit betreft als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb. Uit artikel 5, vijfde lid, van de WJZ vloeit voort dat het beroep dient te worden behandeld door de kinderrechter in de - relatief - bevoegde rechtbank.

4.2.2. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan bij de Raad hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank inzake een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet.

4.2.3. Een door een stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt genomen (indicatie)besluit vindt zijn grondslag in de WJZ. Deze wet is niet opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. Dit betekent dat de Raad in beginsel niet bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is dit echter anders, indien sprake is van een kennelijk of onmiskenbaar onbedoeld hiaat in de rechtsmachtbepaling en voorts de betrokken besluiten naar onderwerp, kader, strekking of toepasselijk recht een zodanig sterke verwantschap tonen met de in de bijlage bij de Beroepswet opgenomen dan wel anderszins aan de Raad toebedeelde wetten en - andere - regelingen, dat aan de Raad desondanks de bevoegdheid dient toe te komen in hoger beroep te oordelen over een uitspraak van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank terzake.

4.2.4. Naar het oordeel van de Raad doet deze situatie zich hier voor. De indicatiestelling in het kader van de WJZ toont sterke verwantschap met indicatiestellingen voor jeugdzorg in het kader van de AWBZ (zo dient die zorg in de in artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ beschreven situaties door een stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt te worden geïndiceerd) en met jeugdzorg die wordt verleend in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO), welke wetten beide zijn opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. Het ligt dan ook in de rede dat de door de wetgever voor de AWBZ en de WMO aangewezen appelrechter ook kennis neemt van het hoger beroep tegen uitspraken inzake (indicatie)besluiten die hun grondslag vinden in de WJZ.

4.2.5. De Raad overweegt in dit verband voorts nog dat de in de nadere memorie van antwoord aan de Eerste Kamer opgenomen zinsnede “dat hoger beroep dient te worden ingesteld bij de Raad van State en niet bij het gerechtshof” (Eerste Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 28 168, D, p. 14) niet kan worden gezien als een uitdrukkelijke andersluidende keuze van de wetgever, nu de passage waarin deze zinsnede is opgenomen er slechts toe strekt om duidelijk te maken dat niet de civielrechtelijke appelrechter (het gerechtshof) maar de bestuursrechtelijke appelrechter terzake bevoegd is.

4.2.6. Tegen een (indicatie)besluit als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb staat geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 3, vierde lid, van de WJZ is een indicatiebesluit inzake een onder toezicht gestelde cliënt, inhoudende een uithuisplaatsing, van beroep uitgezonderd teneinde een dubbele rechtsgang te voorkomen. Daarbij is onder meer het volgende aangegeven: “Zoals eerder is opgemerkt staat tegen een indicatiebesluit beroep op grond van de Awb open. Bij ondertoezichtstelling is voor de effectuering van een indicatie die strekt tot uithuisplaatsing een machtiging van de kinderrechter nodig. Om dubbele procedures te voorkomen bepaalt het voorgestelde vierde lid [van artikel 3 van de WJZ], dat een indicatiebesluit van de stichting, dat strekt tot uithuisplaatsing in het kader van de ondertoezichtstelling eerst in werking treedt nadat de machtiging van de kinderrechter, bedoeld in artikel 1:261 van het BW, is verkregen. De kinderrechter oordeelt in de gevallen dat cliënten zich niet met het indicatiebesluit kunnen verenigen eveneens over bezwaren tegen het indicatiebesluit.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 168, nr. 3, p. 52 en 85). Hieruit volgt dat de kinderrechter in het kader van deze - civielrechtelijke - procedure tevens, als voorvraag, de rechtmatigheid van het indicatiebesluit dient te toetsen. Een eventueel hoger beroep wordt beoordeeld door het - relatief - bevoegde gerechtshof.

4.2.7. In dit verband overweegt de Raad voorts nog dat uit het feit dat het indicatiebesluit - geheel - vervalt indien de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing niet verleent, volgt dat voor een aparte bestuursrechtelijke beoordeling van dat besluit voor zover daarbij andere zorg dan uithuisplaatsing is geïndiceerd, geen plaats is. Ook daarover wordt dus in de civielrechtelijke procedure geoordeeld. Het voorgaande is in overeenstemming met de jurisprudentie van de Raad dat een indicatiebesluit, gelet op de samenhang tussen de - mogelijk - te indiceren zorgfuncties, één en ondeelbaar is (vgl. de uitspraak van de Raad van 28 november 2007, LJN: BB9311).

4.3. Toegespitst op het voorliggende geval leidt dit tot het volgende.

4.3.1. Het indicatiebesluit van 23 februari 2007 is een besluit als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de WJZ. Gelet op artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb kon tegen dat besluit geen beroep worden ingesteld en gelet op artikel 7:1 van de Awb kon daartegen ook geen bezwaar worden gemaakt. De kinderrechter diende in de - civielrechtelijke - beschikking van 17 april 2007 tevens de rechtmatigheid van het indicatiebesluit te toetsen. Appellante had haar standpunt dat de kinderrechter dit ten onrechte heeft nagelaten, kunnen inbrengen in het kader van een - civielrechtelijk - hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage.

4.3.2. Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft bij het besluit van 25 april 2007 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 februari 2007 terecht niet-ontvankelijk verklaard. De kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage heeft zich, als meest gerede rechter gelet op het stelsel van rechtsbescherming in het kader van de WJZ, terecht bevoegd geacht kennis te nemen van het beroep tegen het besluit van 25 april 2007. De Raad is, als meest gerede rechter, bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak

4.3.3. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen grond.

4.3.4. Ten overvloede merkt de Raad nog op het minder juist te achten dat de kinderrechter de aangevallen uitspraak heeft aangeduid als “Beschikking” en niet als “Uitspraak”.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) S.R. Bagga.

Labels: ,

  •      
dinsdag 15 februari 2005

Strafbare onttrekking aan de ouderlijke macht

Wetboek van strafrecht artikel 279 en Grondwet artikel 1

Als vader de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft, is het strafbaar voor iedereen, wanneer het samenzijn tussen kind en vader wordt verhinderd. In zo'n geval mag je van justitie verwachten, dat ze de cimineel (of criminelen) straffen. Hierover bestaat voldoende jurisprudentie.

De hoge Raad heeft uitspraak gedaan: De onttrekking van kind of kinderen aan de ouderlijke macht is strafbaar, zelfs indien beide ouders het wettelijke gezag over de kinderen hebben. Weliswaar gaat de uitspraak om de onttrekking van een dochter aan het ouderlijk gezag van moeder. Maar volgens Grondwet artikel 1 (verbod op discriminatie) geldt het ook indien een zoon onttrokken wordt aan de ouderlijke verantwoordelijkheid van vader.

In haar arrest (uitspraak) van 15 februari 2005 heeft de hoge Raad aangegeven dat er ook sprake is van onttrekking aan het wettig gezag als beide ouders de ouderlijke verantwoordelijkheid delen en er sprake is van een al dan niet voorlopige regeling van omgang. Tot die tijd konden politie en justitie niet met zekerheid vaststellen of van strafbare onttrekking sprake is. Kennelijk ligt het eenvoudiger wanneer één ouder de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft.

Dit arrest heeft verregaande consequenties voor de opsporing en vervolging van een ieder, die hun kind niet terug laten gaan naar de ouder die met de ouderlijke verantwoordelijkheid is belast.

Indien een kind niet wordt teruggebracht na een bezoek in het kader van de omgangsregeling, pleegt de moeder die het kind heeft ontvoerd of achtergehouden, een strafbaar feit. Dit is omschreven in Wetboek van strafrecht artikel 279. Afhankelijk van de leeftijd van het achtergehouden of ontvoerde kind staat daar een gevangenisstraf op van ten hoogste negen jaar.

Het gevolg hiervan is dat de vader bij het ontvoeren of niet terugbrengen van het kind (dus ook als het gezag gedeeld wordt) hiervan onmiddellijk aangifte kan doen bij de politie. Dit is van belang als de kans bestaat dat het kind zal worden meegenomen naar het buitenland. In overleg met een Officier van justitie kan de politie dan ook onmiddellijk overgaan tot het doen van een nationaal en internationaal verzoek om de opsporing en aanhouding van de moeder.

Wist u dat Kind in de knel van mening is:

  • Dat elke vrouw die een kind niet terugbrengt na een bezoek in het kader van een omgangsregeling, of het kind achterhoudt of ontvoert, een strafbaar feit pleegt?

Maar wist u ook dat:

  • De wetgever hierover duidelijker moet zijn in Wetboek van strafrecht artikel 279?

En wist u dat kind in de knel van mening is:

  • Dat het samenzijn tussen vader en kind kan worden afgedwongen indien een rechter het kind heeft geplaatst in een inrichting. Mits er geen zwaarwegend belang is vader omgang te weigeren?

Uitleg van Wetboek van strafrecht artikel 279:

  1. Zij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan de ouderlijke verantwoordelijkheid of aan degene die mede de vaderlijke verantwoordelijkheid draagt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vierde categorie.

  2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien:

    • zij of een derde list bezigde, óf
    • zij pleger of aanzetter is van geweld, óf
    • zij dreigt of betrekt dreigende derden, óf
    • de minderjarige is minder dan twaalf jaren oud.

U ziet dat het belang van vader speciaal voor jonge kinderen bij de strafmaat meeweegt, echter voor twaalf jaar en ouder is hij nog weer belangrijker. De leeftijd van het kind is makkelijk te bewijzen. De bepalingen van Wetboek van strafrecht 279 gelden te meer als de vrouw of een instelling het kind onttrekken aan vaders ouderlijke verantwoordelijkheid die met de ratificatie van het europees verdrag voor de rechten van de man (EVRM) ondubbelzinnig is vastgelegd. Dit vereenvoudigt de bewijslast.

Uitleg van Grondwet artikel 1

Allen die zich in nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens vader zijn, duurzame opvatting, ras, maatschappelijke positie, politieke of geestelijke overtuiging of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Hoge Raad ar8250

De uitspraak over straf voor onttrekking van kind of kinderen aan de ouderlijke macht is ook te vinden op www.rechtspraak.nl:

LJN: Hoge Raad, Ar8250, 01198/04
Datum uitspraak: 15-02-2005
Datum publicatie: 15-02-2005
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie:
Aan gezag en opzicht onttrekken ex art. 279 Sr. Degene die (mede) het gezag over een minderjarig kind uitoefent kan dit kind desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander onttrekken, bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling.

Uitspraak
15 februari 2005
Strafkamer
nr. 01198/04
AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 7 november 2003, nummer 21/001763-03, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 25 november 2002 - de verdachte ter zake van "onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd opzicht" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. T.C. ten Rouwelaar, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. Bij de Hoge Raad is binnengekomen een brief van de raadsman met daaraan gehecht een brief van de verdachte.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. In de middelen wordt onder meer geklaagd dat het Hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte het kind aan het ouderlijk gezag of aan het opzicht van de moeder heeft onttrokken in de zin van art. 279 Sr.

3.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof gehechte pleitnotities houden in dat namens de verdachte het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging dan wel tot vrijspraak, is gevoerd, waartoe is gesteld dat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 279 Strafrecht, omdat de verdachte samen met de moeder het gezag over het minderjarige kind uitoefende.

3.3. Het Hof heeft onder het kopje 'Verweer betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie' in de bestreden uitspraak als volgt overwogen en beslist: "Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat een ouder die formeel nog wel het gezag heeft over zijn minderjarig kind dat kind aan het ouderlijke gezag/opzicht van de andere ouder kan onttrekken. Verdachte heeft zijn dochter niet teruggebracht naar haar moeder nadat de omgangsregeling ten einde was gekomen. Het verweer wordt dan ook verworpen."

3.4. Voorzover in de middelen het standpunt wordt ingenomen dat de verdachte het kind niet aan het gezag en het opzicht van de moeder kan onttrekken in de zin van art. 279 Sr, omdat ook de verdachte het gezag over het kind had, wordt miskend dat degene die (mede) het gezag over een minderjarig kind uitoefent, dit kind desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander kan onttrekken bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling. 's Hofs onder 3.3 weergegeven oordeel getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 februari 2005.

Conclusie
Nr. 01198/04
Mr Machielse
Zitting 21 december 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 7 november 2003 ter zake van "onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd opzicht" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verdachte heeft mr T.C. ten Rouwelaar, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.1 Het eerste middel bestrijdt, blijkens de toelichting daarop, het bewezenverklaarde opzet. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 17 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 te Bilthoven en/of IJsselstein, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 1999) heeft onttrokken aan het wettig gezag over hem/haar gesteld of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem/haar uitoefent, terwijl die minderjarige ten tijde van het plegen van dit feit beneden de twaalf jaar oud is, immers heeft verdachte toen daar:
- zijn dochter [betrokkene 1] in het kader van een omgangsregeling opgehaald bij de moeder en vervolgens die [betrokkene 1] niet teruggebracht op de afgesproken tijd en die [betrokkene 1] gebracht naar een voor de moeder onbekende plaats"

Het middel wijst op een vonnis in kort geding van de rechtbank te Utrecht van 18 mei 2001, waarin is bepaald dat de dochter haar hoofdverblijf heeft bij haar moeder. Aangevoerd wordt dat verdachte op het moment dat hij zijn dochter meenam van de inhoud van dit vonnis niet op de hoogte was. Pas na zijn aanhouding is hij daarmee bekend geworden.

3.2 Uit de bewijsmiddelen blijkt dat tussen verdachte en de moeder van [betrokkene 1] sinds 25 november 2000 een omgangsregeling van kracht was. Deze hield in dat verdachte eenmaal per veertien dagen van zaterdag 11.00 uur tot zondag 17.00 uur en op de daarop volgende donderdag van 12.00 uur tot 17.00 uur recht had op omgang met zijn dochter. Deze omgangsregeling is neergelegd in een tot de stukken van het geding behorende tussenbeschikking van de rechtbank te Utrecht van 24 oktober 2000. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat de moeder van [betrokkene 1], [betrokkene 2], aangifte heeft gedaan nadat verdachte [betrokkene 1] op donderdag 17 mei 2000 had opgehaald en hij haar op vrijdag 18 mei 2001 om 18.08 uur nog niet had teruggebracht. Op dezelfde vrijdag heeft [betrokkene 2] verdachte in kort geding gedagvaard. De president van de rechtbank heeft in zijn beslissing van 18 mei 2001 op de vordering van [betrokkene 2] bepaald dat het hoofdverblijf van [betrokkene 1] bij haar moeder zal zijn en verdachte bevolen het kind binnen een uur na de betekening van het vonnis aan de moeder af te geven. Deze en de overige beslissingen van de president van de rechtbank heeft het hof aan het bewijs laten bijdragen, evenals de mededeling dat het vonnis op 18 mei 2001 om 18.35 uur aan verdachte is betekend door dit achter te laten in zijn woning. Op 19 mei 2001 heeft verdachte de politie gebeld. Hij is toen gewezen op de sinds 25 november 2000 van kracht zijnde omgangsregeling en op het vonnis van 18 mei 2001, met name op het bevel om [betrokkene 1] terstond terug te brengen naar haar moeder. Verdachte heeft toen gezegd dat hij het kind bewust niet had teruggebracht en dat hij niet zou voldoen aan het bevel (bewijsmiddel 1). Bewijsmiddel 3 bevat de verklaring van verdachte dat hij zijn dochtertje van 17 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 bij zich had en dat hij haar niet op tijd bij de moeder heeft teruggebracht.

3.3 Voor een goed begrip van de zaak schets ik enige achtergrond. Verdachte en [betrokkene 2] waren niet getrouwd toen hun dochter [betrokkene 1] op [geboortedatum] 1999 werd geboren. Verdachte heeft het kind erkend. Hij en de moeder zijn sinds de geboorte, dus ook ten tijde van het bewezenverklaarde, gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Niet lang na de geboorte zijn verdachte en [betrokkene 2] uit elkaar gegaan. Zij zijn eerst in onderling overleg en medio februari 2001 door tussenkomst van hun advocaten een voorlopige bezoekregeling voor hun kind overeengekomen. Deze hield in dat [betrokkene 1] bij haar moeder zou verblijven en dat verdachte haar een dag en een middag per week zou krijgen (bewijsmiddel 2). Op 29 maart 2000 heeft [betrokkene 2] bij de rechtbank een verzoek ingediend dat strekte tot toewijzing van het ouderlijk gezag aan haar en tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en [betrokkene 1]. Verdachte heeft zich hiertegen verweerd en op zijn beurt verzocht om toewijzing van het ouderlijk gezag aan hem en om vaststelling van een omgangsregeling tussen moeder en dochter. Bij tussenbeschikking van 24 oktober 2000 heeft de rechtbank overwogen dat het een omgangsregeling tussen vader en dochter in haar belang achtte en beslist dat verdachte met ingang van 25 november 2000 op de hier boven vermelde tijdstippen recht heeft op omgang met zijn dochter. Bij beslissing van 24 juli 2002 zijn de verzoeken van [betrokkene 2] en verdachte om exclusieve toewijzing van het ouderlijk gezag afgewezen. Ten tijde van de bestreden uitspraak was nog geen definitieve omgangsregeling tot stand gekomen.

3.4 De klacht dat verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld omdat hij onbekend was met het vonnis van 18 mei 2001 is, bezien in het licht van de bewezenverklaring, irrelevant. De tenlastelegging en bewezenverklaring houden immers in dat verdachte zijn dochter in strijd met de omgangsregeling niet heeft teruggebracht. Die omgangsregeling bestond al in 2000, dus ruim voor het kort gedingvonnis van 18 mei 2001. Overigens faalt de klacht ook, omdat deze een feitelijke vaststelling van het hof bestrijdt. Het hof heeft immers vastgesteld dat, na de rechtsgeldige betekening van het kort gedingvonnis aan verdachte, de in dit vonnis neergelegde beslissingen op 19 mei 2001 telefonisch aan verdachte zijn meegedeeld en dat hij zijn dochter toen niet heeft teruggebracht. Voor bestrijding van die vaststelling op feitelijke gronden is in cassatie geen ruimte. Voor zover het middel erover bedoelt te klagen dat verdachte op 17 mei 2001 niet wist dat het hoofdverblijf van zijn dochter bij haar moeder was faalt het eveneens. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte met de omgangsregeling van 24 oktober 2000 bekend was. Voor de beantwoording van de vraag of de omgangsregeling inderdaad inhield dat het hoofdverblijf van het kind bij de moeder was, zie onder 4.3.

4.1 Het eerste en het tweede middel voeren verder beide aan dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is van onttrekking aan het wettig gezag of aan het opzicht van de degene die dit desbevoegd uitoefende. Dit verweer is ook voor het hof gevoerd en strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dan wel tot vrijspraak. Het hof heeft in respons op het niet-ontvankelijkheidsverweer overwogen:

"Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat een ouder die formeel nog wel het gezag heeft over zijn minderjarige kind dat kind aan het ouderlijk gezag/opzicht van de andere ouder kan onttrekken. Verdachte heeft zijn dochter niet teruggebracht naar haar moeder nadat de omgangsregeling ten einde was gekomen. Het verweer wordt dan ook verworpen."

De klacht dat het hof bij de vorming van dit oordeel ervan zou zijn uitgegaan dat ten tijde van het bewezenverklaarde alleen de moeder belast was met het ouderlijk gezag over [betrokkene 1] faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4.2 In de rechtspraak zijn situaties als deze eerder aan de orde geweest. In HR NJ 1970, 266 ging het om een echtpaar dat in scheiding lag. Bij beschikking van de president van de rechtbank was beslist dat hangende het echtscheidingsgeding de kinderen bij de moeder zouden verblijven. De Hoge Raad oordeelde dat, ook al leidt een dergelijke voorziening niet tot opheffing van de ouderlijke macht, deze tot gevolg heeft dat de kinderen in ieder geval worden gesteld onder het opzicht, in de zin van art. 279 lid 1 Sr, van de ouder aan wie zij voorlopig zijn toegewezen.(1) Iets vergelijkbaars speelde in de arresten HR NJ 1991, 9 en HR NJ 1991, 824. In beide zaken waren de onttrokken kinderen in afwachting van de uitkomst van de echtscheidingsprocedure aan de moeder toevertrouwd. Het zonder haar toestemming wegnemen van de kinderen leverde een onttrekking aan het wettig gezag en het bevoegdelijk uitgeoefende opzicht op. De in het middel bedoelde uitspraken NJ 1950, 833 en 834 werpen geen ander licht op de zaak, alleen al omdat deze uitspraken een niet goed vergelijkbaar feitencomplex betroffen, de uitspraken van eerder datum zijn en deze niet zijn gedaan door de Hoge Raad, zoals het middel veronderstelt, maar door respectievelijk de Krijgsraad voor de zeemacht en het Hoog Militair Gerechtshof.

4.3 In dit geval ligt het in zoverre anders dat hier niet sprake is van een exclusieve toewijzing van het kind aan de moeder. Bij haar tussenbeschikking van 24 oktober 2000 heeft de rechtbank immers, in afwachting van een definitieve beslissing, bepaald dat verdachte een beperkt omgangsrecht met het kind heeft. Anders dan de klacht lijkt te veronderstellen is in het vonnis van 18 mei 2001 in deze omgangsregeling geen wijziging aangebracht doordat daarin is beslist dat [betrokkene 1]'s hoofdverblijf bij haar moeder was. Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt was dit de feitelijke situatie sinds verdachte en [betrokkene 2] uit elkaar waren. Dit lag ook al in de omgangsregeling van 24 oktober 2000 besloten. Daarvan is ook de president van de rechtbank uitgegaan blijkens overweging 3.5 van zijn vonnis, dat voor zover van belang luidt:

"Op grond van deze feiten en omstandigheden moet het, mede gezien de leeftijd van [betrokkene 1], in haar belang worden geacht dat zij haar hoofdverblijf bij de moeder heeft totdat in de onder 3.3 bedoelde procedure over de gezagsvoorziening zal zijn beslist. Bij dit oordeel is mede van belang dat de rechtbank dat in die procedure klaarblijkelijk ook heeft bedoeld, gezien de regeling die voor de omgang tussen de vader en [betrokkene 1] is vastgesteld in de genoemde tussenbeschikking van 24 oktober 2000 ()."

Het vonnis houdt wel een andere wijziging in ten opzichte van de omgangsregeling van 24 oktober 2000. Namelijk dat het verdachte verboden was het kind zonder schriftelijke toestemming van de moeder mee te nemen. Ook deze beslissing is op 19 mei 2001 telefonisch aan verdachte meegedeeld (bewijsmiddel 1).

4.4 Of het kind nou wordt onttrokken terwijl het exclusief aan een ouder is toevertrouwd of door zich niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling levert in mijn ogen geen relevant verschil op. Zowel het wettig gezag als het opzicht berustten ten tijde van het bewezenverklaarde bij de moeder krachtens de omgangsregeling van 24 oktober 2000. Verdachte heeft het kind aan dat gezag en opzicht onttrokken door haar op donderdag 17 mei 2001 niet op het overeengekomen tijdstip terug te brengen. Hij heeft die situatie tot 8 juni 2001 laten voortbestaan ook nadat hem de inhoud van het vonnis van 18 mei 2001 was meegedeeld. Het oordeel van het hof dat verdachte in de bewezenverklaarde periode het kind aan het wettig gezag en het opzicht van de moeder heeft onttrokken geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klachten falen voor zover deze uitgaan van een andere opvatting.

4.5 De klacht dat het hof heeft aangenomen dat was aangevoerd dat dit verweer tot ontslag van rechtsvervolging zou moeten leiden, berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Ook deze klacht faalt dus.

4.6 Het tweede middel bestrijdt verder de verwerping door het hof van een beroep op overmacht. Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft aangevoerd dat er een noodsituatie was ontstaan omdat verdachtes dochtertje door haar moeder, die het wettig gezag over haar uitoefende, niet goed zou worden verzorgd.

Het hof is van oordeel dat het gevoerde verweer dient te worden verworpen. Het hof overweegt hierbij dat er geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die het acuut handelen van verdachte rechtvaardigden en dat voorts niet is gebleken dat - indien er al sprake zou zijn geweest van een noodsituatie - er voor verdachte geen andere mogelijkheid open stond, nu hij zich had kunnen wenden tot een bevoegde instantie, zoals de Raad voor Kinderbescherming, de politie of de officier van justitie, in geval van een noodtoestand."

De klacht is dat het hof geen acht heeft geslagen op ter ondersteuning van dit verweer overgelegde bewijsstukken. Deze klacht faalt. Het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] slecht werd verzorgd door haar moeder. Dat is een oordeel van feitelijke aard dat in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. De waardering van het door de verdediging overgelegde bewijsmateriaal is aan het hof voorbehouden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 oktober 2003 blijkt verder dat het hof de korte inhoud van de stukken van eerste aanleg en van de nadien aan het dossier toegevoegde stukken heeft voorgehouden, waaronder de brieven van verdachte van 22 september 2003 en 17 oktober 2003 met bijlagen. Het moet er dus voor worden gehouden dat door het hof ook op de door het middel bedoelde stukken acht is geslagen. Dit geldt temeer nu het middel niet vermeldt welke bewijsstukken het hof zou hebben gemist. Ook de klacht dat het hof er geen rekening mee heeft gehouden dat verdachte geen vertrouwen had in de Raad voor de Kinderbescherming faalt, reeds omdat niet blijkt dat die stelling voor het hof is ingenomen.

5.1 Het derde middel betreft de afwijzing door het hof van een verzoek om getuigen te horen. In de bestreden uitspraak heeft het hof overwogen dat de verdediging subsidiair heeft verzocht het onderzoek aan te houden om enkele getuigen te horen. Het hof heeft dit verzoek afgewezen omdat het zich voldoende voorgelicht achtte, zodat van een noodzaak tot het horen van die getuigen niet was gebleken.

5.2 Noch uit het proces-verbaal van de zitting van 24 oktober 2003, noch uit de daaraan gehechte pleitnota noch uit enig ander stuk in het procesdossier blijkt dat door de verdediging aan het hof is verzocht om getuigen te horen. Dat betekent dat hetzij het hof door een vergissing de in het middel aangevochten beslissing in zijn uitspraak heeft opgenomen hetzij het verzoek wel is gedaan maar dit niet in het proces-verbaal is opgenomen.

5.3 Ik meen dat dit in het midden kan blijven. Volgens het middel betrof het ter zitting gedane verzoek getuigen van wie eerder verklaringen aan het hof werden toegezonden. Ik neem aan dat hiermee wordt gedoeld op de brief van 5 september 2003 van de raadsman van verdachte. Het middel voert als klacht aan dat het hof het getuigenverhoor niet heeft toegestaan en dat het derhalve van belang is dat de getuigen alsnog worden gehoord. Die klacht kan, ook als ervan wordt uitgegaan dat het verzoek wel is gedaan, in ieder geval niet slagen. Het valt niet in te zien dat uit de afwijzing van het verzoek volgt dat verdachte een belang had bij toewijzing van het verzoek. Laat staan dat die opmerking iets afdoet aan de begrijpelijkheid van 's hofs oordeel dat de noodzaak tot het horen van de getuigen in zijn ogen niet bestond. Het middel geeft eigenlijk alleen maar aan dat verdachte het niet eens is met de beslissing van het hof, maar betwist niet dat het hof het juiste criterium heeft gehanteerd en geeft evenmin aan waarom de beslissing van het hof onbegrijpelijk zou zijn.

5.4 Tot slot bevat het middel de klacht dat het hof geen acht heeft geslagen op een aantal door verdachte aan het hof ter beschikking gestelde stukken. Ook deze klacht faalt, reeds omdat het middel niet verduidelijkt op welke stukken het doelt.

6. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen, met uitzondering van de in 4.1 tot en met 4.4 besproken klachten, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie ook NLR, aant. 2 bij art. 279.

Labels: ,

  •      
maandag 7 februari 2005

EénVandaag over handhaven omgangsregeling

Een gescheiden man weet na vier jaar juridische strijd eindelijk een omgangsregeling voor zijn kinderen af te dwingen. Op een gegeven moment besluit zijn ex-vrouw de kinderen niet mee mee te geven. In het huidige rechtsproces moet de vader steeds het initiatief nemen om een dwarse moeder tot naleving van afspraken en regels te brengen. In de ogen van de moeder is híj dan de kwade pier. Dat kan een bron zij voor ruzie en conflicten tussen ouders. Béter is wanneer de familie van de vader of het meldpunt kindermishandeling het op zich neemt de ex vrouw aan te spreken. Dan kan de vader een vriendelijke rol naar de vrouw blijven houden…

Justitie kan zélf actie ondernemen voor de naleving van de eigen rechterlijke uitspraken. Dat ontlast vaders en dat is wat nodig is. Tegelijk met het doen van de uitspraak kan de boete bij niet naleving worden opgelegd. Dat gebeurt nu te weinig. De tijd van navel-staren binnen de rechterlijke- en wetgevende macht is voorbij…

Daarbij is een goed signaal dat het parlement omgangsweigering al in het strafrecht heeft gebracht. Daarmee heeft zij de handhaving in handen van het openbaar ministerie gegeven net als in belgië en frankrijk. Ook bij verkeershandhaving in nederland zijn bekeuringen met een beroepsmogelijkheid en justitiële incasso uitvoerbaar en effectief gebleken. Het maakte een eind aan jarenlang geharrewar en gepolitiseer binnen justitie over gedogen en strafmaat voor de verschillende typen verkeersovertreders. Systematisch werken, duidelijk zijn en lik op stuk voorkomt jarenlang ruziën over naleving tussen gescheiden ouders voorkomt. Dat is nodig voor ouders én opvoeding…

- in de uitzending -

  • Jaap Jongbloed besteedt in zijn programma's vaak aandacht aan ouders.
  • Vader Bas van 't Hoff
  • De advocaat van de vader Jan Martijn Wigman vindt rechtspraak in nederland niet ver genoeg gaan: een rechter kan straf opleggen, maar doet dat te weinig. Wigman vindt dat omgangsweigering in het strafrecht behandeld moet worden: Een goede mogelijkheid is het niet meewerken aan een omgangsregeling te straffen. Daarmee geef je een duidelijk signaal af aan mensen die niet mee werken. Die weten dan wat de sancties zijn. En het openbaar ministerie moet zorgen voor handhaving. Ik denk dat dit de problemen grotendeels oplost.
  • Ruud Luchtenveld was als lid van de Tweedekamer voor de VVD éen van de trekkers van het initiatief dat leidde tot het vormgeven van de wet op het voortgezet ouderschap na scheiding.

Naschrift

Peter Tromp legt de vinger op de wonde, toont heel duidelijk de verkeerde ingesteldheid van de rechter aan als hij met betrekking tot het gesprek met familierechter Quik-Schuijt schrijft:

Peter Tromp Peter Tromp

De uitzending heeft met name in het interview met Quik-Schuijt goed blootgelegd, waar het probleem nu al 30 jaar ligt, namelijk de onwil en discriminatie van de rechterlijke macht naar vaders en kinderen. Vaders worden niet belangrijk voor hun kinderen gedacht, alleen moeders zijn belangrijk. Dus doet men gewoon niets anders als roepen dat het ze zo ter harte gaat, alleen lippendienst…

Het was een uitstekende TROS-uitzending, het authenticiteitsgehalte lag zeer hoog. In zijn volle omvang werd de ellende en de uitzichtloosheid van de nederlandse rechtspraak in beeld gebracht. Het is onvoorstelbaar dat dat nog steeds voorkomt dat rechters het belang van het kind inroepen om vaders de toegang tot het opvoeden van hun eigen kroost te weigeren. Frustratie van omgang is een misdrijf:

Bert Kerkhof Bert Kerkhof

De nederlandse politiek en overheid moet zoals in belgië zich eens ernstig en diepgaand bezinnen om de rechtspraak bij scheiding effectief te verbeteren en op die manier de eindeloze drama's zoals in de uitzending doen voorkomen. Alleen dan zal in nederland een humanisering van het familieleven tot stand komen. Het wáre belang voor opvoeding ligt in duurzaam contact met béide ouders…

Noot: Jan Marijnissen van de socialistische partij heeft de redactie van Kindindeknel op zaterdag 26 februari laten weten dat de in het burgerlijk wetboek vastgelegde regeling voor de SP niet voldoet, vooral als één van de beide partners er op uit is het omgangsrecht te saboteren. Daarom vind hij het wetsvoorstel Zorgvuldig scheiden een goed voorstel en de SP heeft dit gesteund in de tweede kamer…

Lees ook…

Labels:

  •      
maandag 17 januari 2005

Televisie discussie over zorgplicht van beide ouders

Vanavond was een discussie in Vara's Barend en Witteman over het recht van kinderen om na een scheiding beide ouders in hun leven te houden. Aanleiding voor de uitzending was het optreden van Andy Work, die verkleed als Batman op de gevel van het gerechtsgebouw van Utrecht klom. In de uitzending werd gesproken over de voorgenomen plannen van minister Donner om getrouwde ouders te verplichten een zorgplan voor de kinderen op te stellen, voorafgaand aan een scheiding.

Waarom zegt de rechtbank zo vaak néé tegen het vaderschap na echtscheiding, wilde presentatrice Inge Diepman weten. Volgens pedagoog en ervaringsdeskundige Joep Zander is het belangrijkste dat men denkt dat als er communicatieproblemen zijn tussen de ouders, dat het kind er dan niet bij gebaat is als het beide ouders ziet. Terwijl volgens Zander eigenlijk de communicatieproblemen in stand worden gehouden door het recht niet toe te zeggen. Als niemand het recht heeft, dan groeit het wederzijds wantrouwen. Je weet dan niet waar je aan toe bent. Er is dan een heel groot risico op nog meer strijd. Die strijd komt er. Dan zeggen ze: Er is strijd, dus je mag je kinderen niet zien. Dus de rechtsgang bevordert de wanverhouding tussen beide ouders, aldus Zander.

Ook wanneer de vader heel behoedzaam is en eigenlijk geen strijd wil voeren, dan volgt er tóch strijd. Het huidige rechtssysteem, hoe het in de praktijk wordt uitgevoerd, bevordert dat mensen daarover op de vuist gaan. Omdat er geen recht is gewoon. Volgens Zander is er geen recht op geen enkele manier binnen het familierecht.

opvoeden kinderen ouders

Wetgeving

Er was discussie over waaraan dat nu ligt, aan de wetgeving? Ouders die gezamenlijk gezag hebben, dragen volgens de wet beiden evenveel verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen. Helaas werd in de uitzending voorbijgegaan aan aanzienlijk grote groepen ouders die niet trouwen maar samenwonen. Nu zijn er wel europese regels over de gelijke behandeling van samenwonenden en gehuwden. Ook volgens de verenigde naties hebben kinderen van ongehuwde ouders evenveel recht op beide ouders als kinderen van gehuwden. Toch zit er een lacune in de nederlandse wet. Het nederlands recht gaat er onterecht vanuit dat samenwonenden vrijwillig hebben afgezien van gezamenlijke opvoeding van kinderen en dat voor hen een gezamenlijk ouderschap niet nodig zou zijn. Een stiefmoederlijke behandeling van deze zaken in de arrondissementen is het gevolg.

Ook in het wetsvoorstel van Donner ontbreekt het aan een zorgplan voor samenwonende ongehuwde ouders. Het is jammer dat prominente vaders zoals Joep Zander en Andy Work, die hiermee de nodige eraring hebben, dit niet in de uitzending aan de orde stelden. Het is geen schande om ongehuwd samenwonend te zijn geweest. Er is geen reden aan te nemen dat ongehuwde ouders tijdens hun samenwonen minder afspraken of verwachtingen over gezamenlijke zorg hebben, ook al is dat niet bij gemeente (en kerk) vastgelegd.

Rechtsgang

Maar ook aan de rechtsgang mankeert het. Slechts in één procent van de onderzoekingen van de kinderbescherming wordt omgang ontzegt. Maar in de 3000 overige gevallen per jaar die voor de rechter komen, wordt veelal zelfs een omgang uitgesproken die minder inhoudt dan een weekend in de veertien dagen. Bij ouders is daarover onrust, omdat dat niet genoeg is om voldoende voor de kinderen te kunnen zorgen. Met name voor jonge kinderen is het te weinig. Het zou goed zijn als rechters daarover eens een boek lezen, zo werd opgemerkt door maatschappelijk werker en mediator Pieter Vermeulen. Daarbij komt dat enige sanctionering van de rechterlijke uitspraken er niet is of niet werkt.

De aanwezigen vonden het een goed idee om gehuwde ouders te verplichten een zorgplan op te stellen. Nog voor ze gaan praten over een scheiding. Als dat verplicht wordt, wijs je de ouders op hun verantwoordelijkheid. En laat je ze ook inventariseren waar ze wel of niet uitkomen. Als moeder de zorg voor de kinderen niet met vader wil delen, moet je haar de kans geven dat iemand haar uitlegt wat dat betekent voor kinderen. Volgens mediator en advocate Sabine van Gestel lukt het om dat duidelijk te maken. Zelf kan zij uitleggen hoe een kind beknelt kan raken als de vader wordt weggehouden. Zij refereerde aan het werk van Joep Zander, het boek ‘Ouderverstoting’.

Pieter Vermeulen vindt dat bij een zorgplan meer informatie moet worden gegeven over wat goed en niet goed is voor een kind. Als de ouders dat niet weten, dan kom je er niet uit. Volgens Pieter ontbreekt dat in Nederland. Hij stelt voor dat er voorlichtingscentra komen die informatie geven over wat belangrijk is voor een kind van 3 of van 2 of van 1 jaar.

Handhaving

Wat nu als de ouders zich niet houden aan het afgesproken zorgplan? Sabine van Gestel vind dat als de vrouw het kind voor haar zelf wil houden, wat haar betreft de botte bijl in kan. Dan pleit zij voor toekenning van het gezag eenzijdig aan de vader. Ook zij vind een weekend per twee weken te weinig. Wel is ze van mening dat een regeling waarbij de ene week de kinderen bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader, dat dat niet in het belang is van de kinderen. Ze pleit kortom voor een ander arrangement met een wekelijkse regelmaat. Joep Zander gaf informatie over de handhaving in België, waar het openbaar ministerie weigerachtige moeders dwingt met hulp van de politie. Het streven in België is om op die voet verder te gaan.

Even ging het om de inzet van particuliere omgangsbegeleiding als de moeder niet aan omgang meewerkt. Momenteel wordt dit eenzijdig door de vader betaald, ook als de moeder de afspraken niet nakomt. In de discussie kreeg Andy Work dit niet over het voetlicht, omdat anderen er door heen gingen praten over alimentatie. Ook de financiering van mediation voor minvermogenden kwam niet aan bod in Vara’s BenW. Jammer, want zo komt de regeling van de zorg voor kinderen toch bij vechtadvocaten terecht, die wél middels de raden voor rechtsbijstand worden gesubsidieerd.

Bij elkaar was de uitzending een aardige discussie met een nieuwe beroepsgroep, de familie-mediatoren. Over betere rechtsbescherming en meer informatie over wat kinderen na een scheiding nodig hebben. Regelgeving voor het maken van zorgplannen en mediation voor gehuwden is nuttig, daarbij enkele:

Kanttekeningen

  1. Laten we kijken waar de zorg voor kinderen na scheiding het meeste risico loopt. Dat is daar waar tot nu toe de minste rechtsbescherming is, bij de kinderen van ongehuwd samenwonenden. We kunnen niet heen om de achtergrond van de vele kindermishandeling en de kindermoorden die na een scheiding gebeuren. Welke preventieve maatregelen zijn nodig om in die gevallen de gewenste gezamenlijke zorgplicht te bewerkstelligen? Om de ergste mistoestanden te voorkomen, is gelijkstelling van zorgplicht van ongehuwd samenwonenden met die van gehuwden een noodzaak.
  2. Bij verschillende nederlandse rechtbanken was een experiment met mediation. De ervaring is dat er een groep ouders bestaat waar overleg en/of het maken van afspraken niet mogelijk is. Die groep kwam niet in aanmerking om deel te nemen aan het experiment. Voor die gevallen heeft een wettelijke standaard regeling voor Co-Ouders meer belang dan het steeds weer opnieuw uitvinden van maatwerk zorgplannen voor elk stel afzonderlijk. Bij het maatwerk blijft de vraag of die plannen in de loop van een leven de tand des tijds kunnen doorstaan.
  3. Welke schriftelijke afspraken ook gemaakt worden, het is slechts papier wanneer bij een weigering om de zorg voor de kinderen te delen, geen zicht is op daadkrachtige empowerment van de verstoten ouder.

Bert Kerkhof

Labels:

  •      
vrijdag 10 december 2004

Rechter overtreedt te vaak wet bij scheiding

Rechters beslissen vaak in strijd met de wet dat contact tussen het kind en de vader na scheiding wordt opgeschort of ontzegd. Het VVD tweedekamer lid Ruud Luchtenveld heeft nu een initiatiefwetsvoorstel ingediend met als hoofdelementen: scheiden zonder rechter en Co-ouderschap na scheiding, tenzij ouders anders overeenkomen.

Het lijkt erop dat rechters, en veel advocaten, de wet niet kennen. Sinds 1998 loopt het ouderlijk gezag na scheiding van rechtswege door. De wet van 1998 stelt: gezag impliceert contact. Ontzegging van contact is alleen onder strikte voorwaarden mogelijk bij een ouder die geen gezag heeft (zoals vaders die voogdij hebben volgens de wet van vóór 1998). Recent is dit nog eens bevestigd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat nederland heeft veroordeeld omdat de Nederlandse rechter de eis van een vader met gezag om zijn dochter te bezoeken afwees.

Onwetmatigheden van rechters zijn er mede debet aan dat circa de helft van de scheidingskinderen geen of nauwelijks contact meer heeft met de vader. Ook wanneer de rechter wel een contactregeling uitspreekt, in het beste geval een weekend per twee weken, kan een ouder (meestal moeder) die uitspraak straffeloos naast zich neerleggen. Dit leidt vaak tot stalking en geweld (steeds vaker met dodelijke afloop), waarvoor vaders wel bestraft worden. Delicten die door moeders worden uitgelokt.

Hanteren rechters een ongeschreven regel om gescheiden moeders te beschermen? De cijfers zijn niet in hun voordeel. Om met NRC-columnist Bas Heijne (4 dec 2004) te spreken: Waar komt dat onuitroeibare “geloof in de vrouw als beter mens toch vandaan?” Het is net zo idioot als het geloof in de vrouw als minderwaardig wezen’. De meest geciteerde rechtspsycholoog in Europa, professor Hans Crombag, heeft niet voor niets al jaren geleden de vraag gesteld: “wie controleert de rechters?”.

Onafhankelijkheid

De sociaal wetenschapper Jan de Keijser toonde begin 2000 in zijn proefschrift aan dat rechters zelfs in volkomen identieke zaken tot sterk verschillende uitspraken komen. Premier Balkenende zei daarover: “De discussie over fouten in de rechtspraak en over integriteit is uiterst gevoelig, maar moet wel worden gevoerd. Nu al verschijnen artikelen over onrechtmatige rechtspraak”.

Maar de tweedekamer laat zich gemakkelijk meeslepen met het romantische beeld van een volkomen integere rechterlijke macht. Heel nederland mag graaien, maar er is gelukkig nog éen macht die vlekkeloos toezicht houdt, zo wil men graag geloven. Dat artsen fouten maken, is geaccepteerd. Maar ze moeten wel openlijk voor hun fouten uitkomen. Rechters zijn daar kennelijk nog niet aan toe. Ze verschuilen zich achter de uniciteit van een zaak. Altijd zijn er bijzondere omstandigheden, geen enkele zaak is met elkaar te vergelijken, zeggen ze. Maar ‘vechtscheidingen’ hebben allemaal dezelfde rode draad. En niemand is onbevooroordeeld. Ook rechters zijn mensen en geen computers. Maar ze moeten wel de wet toepassen die op het terrein van scheiding volstrekt duidelijk is: altijd contact tussen kind en beide ouders, tenzij er bewezen feiten zijn van kindermishandeling.

In de uitspraak zouden rechters moeten opnemen dat de contactregeling zo nodig met behulp van de ‘sterke arm’ in burgerkledij wordt uitgevoerd. Of dat bij weigering het gezag over de minderjarige zal worden ontnomen. Dit zal in de praktijk een preventieve werking hebben.

Slachtofferrol

Rechters zwichten vaak voor moeders die in de slachtofferrol kruipen, en die na scheiding, meestal uit rancune, geen contact tussen het kind en de vader willen. Die situatie druist in tegen internationale verdragen, tegen de Nederlandse wet én tegen het belang van het kind. Veel rechters ontzeggen onrechtmatig het contact tussen vader en kind met als argument dat er ‘rust’ moet komen. Maar er komt geen rust, wel volgen nieuwe procedures, verdere escalatie en polarisatie, omdat de wet niet wordt toegepast. En verbroken contact wordt maar zelden hersteld, van uitstel komt afstel.

Als de moeder niet de kinderen kan meenemen met uitsluiting van vader, zal zij minder lichtvaardig overgaan tot scheiding. Dat blijkt ook uit onderzoek in de VS. Volgens deskundigen is echtscheiding voor kinderen trauma nummer één. Overspel, geweld, alcohol- of drugsgebruik spelen een ondergeschikte rol in de redenen om te scheiden. Ruim driekwart van de mensen die scheiden, geven aan dat ze niet meer met elkaar kunnen communiceren. Maar minder dan eenderde van de gescheiden mensen zegt na scheiding gelukkiger te zijn geworden.

Van de kinderen die opgroeien in het traditioneel samengesteld gezin, beoordeelt bijna 80 procent de eigen gezinssituatie als goed. Waarom dan toch zoveel scheidingen? Ieder etmaal zijn er in Nederland circa 170 kinderen betrokken bij een scheiding. Kinderen van gescheiden ouders hebben een grotere kans op armoede, doen het slechter op school, hebben vaker psychische of psychiatrische klachten, lopen meer kans op gezondheidsproblemen, raken vaker aan de drank en drugs en belanden eerder in de criminaliteit.

Als rechters de wet hanteren, zal dat leiden tot minder lichtvaardige scheidingen, minder ellende voor kinderen, (groot)ouders en een enorme kostenbesparing voor de maatschappij. Therapeuten zullen dan snel hun huidige visie: denk aan jezelf in plaats van het kind en gezinsbelang voorop te stellen, wijzigen in hoe los ik het probleempje op dat de ouders niet meer met elkaar kunnen communiceren.

Wim Orbons is voormalig directeur en secretaris van diverse gezondheidszorgorganisaties.

Aanbevolen leesvoer…

  • Een nieuwe wet op het gelijkwaardig ouderschap trad op 1 maart 2009 in werking. Deze wet geeft vaders een betere kans om een rol in de opvoeding van zijn kinderen te blijven spelen: Co-Ouder wet.
  • Volgens de Europese rechten van de mens worden vaders erkend als volledig juridisch ouder tenzij ze uit de ouderlijke macht zijn ontzet. Echter, gescheiden wonende vaders worden thans veelal door justitie aan de laars gelapt, lees hierover meer in: Voorspoed en geluk vader zijn met levensgezel Europa

Labels:

  •      
donderdag 12 september 2002

Klachtencommissie: informeren van béide ouders

Scholen krijgen steeds vaker te maken met de gevolgen van het toenemende aantal scheidingen. Daarbij gaat het onder meer om de vraag hoe de school beide ouders dient te informeren over de vorderingen van hun kind. De landelijke klachten commissie (LKC) heeft zich aan de hand van een aantal klachten over deze materie gebogen. De klachten waren toegespitst op de informatievoorziening aan de vader. Uit artikel 377c van boek 1 van het burgerlijk wetboek valt op te maken dat de school de vader in beginsel op dezelfde manier van informatie dient te voorzien als de moeder.

Het wetsartikel maakt twee uitzonderingen op deze verplichting. Ten eerste hoeft de school de informatie niet aan de moeder te verstrekken als ze die ook niet (op dezelfde wijze) aan de vader zou geven. Daarnaast hoeft de school de informatie ook niet te geven als het belang van het kind zich daartegen verzet. De klachtencommissie heeft in de diverse zaken overwogen dat een school uiteraard een veilig klimaat voor de leerlingen moet zijn en daarom zich neutraal moet opstellen door beide ouders gelijkelijk te voorzien van informatie. Door één of beide ouders géen informatie te geven, geeft de school haar neutrale positie op en is zij (wellicht onbewust) partij in een conflict.

In de praktijk zal de school niet vaak worden betrokken bij een conflict. Als het toch zover komt en bijvoorbeeld de moeder de school vraagt om de vader geen informatie meer te geven, zal de school dit niet zómaar kunnen doen. Zij dient (denk aan artikel 1:377c burgerlijk wetboek) zelf een afweging te maken of het belang van het kind, dus niet de ouders worden geschaad bij het verstrekken van de informatie. Het is hierbij niet voldoende te verwijzen naar het oordeel van een gezinsvoogdij-instelling of naar een aanbeveling uit een handboek over kindermishandeling of iets dergelijks.

Uit het voorgaande blijkt dat er voor de school een belangrijke taak is weggelegd bij het informeren van vader én moeder. In de zaken die de klachtencommissie heeft behandeld, heeft zij het bevoegd gezag geadviseerd een protocol op te stellen waarin voor iedereen in de school duidelijk wordt hoe in de hierboven beschreven situaties moet worden gehandeld, wie de informatie aan de ouders geeft dan wel de (rapport-)gesprekken met deze ouders voert. Tevens moet uit het protocol blijken wie ervoor zorgt dat, wanneer de school op basis van de in de wet gegeven uitzonderingen besloten heeft géen informatie te geven, deze beslissing consistent wordt uitgevoerd.

Informatie: LKC telefoon: 0348.405245.

Lees ook:

Labels: ,

  •      
vrijdag 16 februari 2001

Uitspraak vervangende toestemming erkenning

HOGE RAAD, 16 februari 2001, nr. R00/084HR
Landelijk jurisprudentie nummer: AB0033
(Mrs. P. Neleman, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink; A-G Moltmaker)

Essentie
Erkenning door biologische vader; vervangende toestemming; family life; afweging belangen.

Samenvatting
Zelfde beslissing als in zaak Rek.nr. 00/084.

Partijen
[De moeder], verzoekster tot cassatie, adv. mr. J.H.M. van Swaaij,

tegen

[De vader], verweerder in cassatie, adv. mr. M.H. van der Woude.

Tekst
Hoge Raad:

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 9 november 1998 ter griffie van de Rechtbank te Haarlem ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie -verder te noemen: de vader -zich gewend tot die Rechtbank en verzocht vervangende toestemming te verlenen om zijn minderjarige zoon [..] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], te erkennen. Verzoekster tot cassatie -verder te noemen: de moeder -heeft het verzoek bestreden. De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 23 februari 1999 mr. M.J.F.A. Mutsaers tot bijzondere curator benoemd voor [het] minderjarige [kind] en heeft bij eindbeschikking van 27 april 1999 de verzochte vervangende toestemming tot erkenning verleend. Tegen beide beschikkingen heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De moeder heeft verzocht de beschikkingen waarvan beroep te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek van de man af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht te bepalen dat het informatierecht buiten toepassing moet blijven. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft tijdens de mondelinge behandeling van de zaak geconcludeerd de beschikkingen waarvan beroep te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek tot verkrijging van vervangende toestemming af te wijzen. Bij beschikking van 20 april 2000 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd en de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot het buiten beschouwing laten van de vastgestelde informatieplicht. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal J.K. Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen hebben vanaf oktober 1995 tot omstreeks eind 1997, begin 1998, een affectieve relatie gehad. De laatste anderhalf jaar hebben zij samengewoond. Uit deze relatie is op [geboortedatum] het kind [..] geboren. De moeder heeft de relatie van partijen verbroken negen dagen nadat zij ervan op de hoogte was dat zij in verwachting was. De moeder heeft van rechtswege het gezag over het kind. De vader wil het kind erkennen, doch de moeder heeft haar toestemming daarvoor niet willen verlenen.

3.2. De vader heeft voor de Rechtbank op de voet van art. 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming verzocht. Het verzoek is door de Rechtbank toegewezen. Het Hof heeft de desbetreffende beschikking bekrachtigd.

3.3. Het Hof heeft bij de beoordeling van de vraag of vervangende toestemming moest worden verleend tot uitgangspunt genomen dat het belang van de verwekker bij vervangende toestemming dient te worden afgewogen tegen de vraag of erkenning door de verwekker van het kind de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden (rov. 4.5). Vervolgens heeft het Hof enige bij de totstandkoming van art. 1:204 lid 3 BW genoemde situaties, die ertoe zouden kunnen leiden dat de gevraagde toestemming moet worden geweigerd, onderkend, en heeft het geoordeeld dat die situaties zich in het onderhavige geval niet voordeden en dat overigens uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen niet is gebleken van een situatie waarin de belangen van de verwekker en het kind bij erkenning zouden moeten wijken voor de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind (rov. 4.6). Het Hof heeft daarbij onder ogen gezien dat schade aan de belangen van het kind eveneens aan de verlening van vervangende toestemming in de weg zou kunnen staan, indien de moeder door de erkenning in een zodanige onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind een stabiel opvoedingsklimaat te bieden (rov. 4.7), doch heeft kennelijk geoordeeld dat die situatie zich in het onderhavige geval niet voordeed.

3.4. Middel I bestrijdt de hiervoor vermelde oordelen met het betoog dat bij de beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming het belang van de verwekker bij de erkenning slechts een rol kan spelen indien, en derhalve nadat, is vastgesteld dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden. Het middel faalt. Op grond van zijn, in de conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker onder 2.1.2 weergegeven, ontstaansgeschiedenis moet art. 1:204 lid 3 BW aldus worden uitgelegd dat het in de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming aankomt op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Door de rechter zullen het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Het belang van de moeder is daarbij in art. 1:204 lid 3 nader omschreven als het belang bij een ongestoorde verhouding met het kind. Het Hof heeft bij de beoordeling van het verzoek van de vader deze belangenafweging terecht tot uitgangspunt genomen. De bestreden oordelen geven dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5. Middel II betoogt dat het Hof essentiële stellingen, die, als zij zouden komen vast te staan, zouden moeten leiden tot de conclusie dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met haar kind worden geschaad, heeft gepasseerd, althans niet in zijn oordeel heeft betrokken. Het middel noemt de volgende stellingen:
a). het kind was wat de man betreft niet gewenst;
b). de depressieve klachten van de moeder verergeren door contacten met de vader en contacten tussen de vader en het kind;
c). de moeder is bang dat de vader het kind mee zal nemen naar Peru. Voorzover het middel betoogt dat het Hof de stellingen niet heeft onderkend, mist het feitelijke grondslag, nu het Hof, zoals blijkt uit rov. 4.2, kennis heeft genomen van de stellingen van de moeder. Het Hof heeft deze stellingen kennelijk onvoldoende onderbouwd geoordeeld tegenover de betwisting van de man (stelling a en c, rov. 4.3 en 4.6), als ook van onvoldoende gewicht (stelling b, rov. 4.7). Deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt derhalve ook voor het overige.

3.6. In rov. 4.7 heeft het Hof schade aan de belangen van het kind nader omschreven als het aanwezig zijn van reële risico's dat het kind ten gevolge van de erkenning wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling.

Middel III acht deze maatstaf te beperkt; het middel betoogt dat het Hof over het hoofd ziet dat het feit dat de erkenning een grote belasting voor de moeder is, eveneens een psychische belasting voor het kind kan vormen. Ook dit middel faalt. Het middel miskent dat het Hof in rov. 4.7 een oordeel geeft over wat het belang van het kind in het onderhavige geval inhoudt en hoe dat belang moet worden afgewogen. In deze rechtsoverweging ligt besloten dat het Hof van oordeel is dat de psychische belasting van de moeder niet zodanig is dat zij daardoor haar kind geen stabiel opvoedingsklimaat kan bieden. Dit oordeel is aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden. Het is, mede in het licht van hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen, niet onbegrijpelijk.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Conclusie A-G mr. Moltmaker:

1. Feiten en procesgang

1.1. Met betrekking tot de feiten heeft het hof bij de in cassatie bestreden beschikking onder meer het volgende overwogen:
2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad in de periode van oktober 1995 tot omstreeks eind 1997, begin 1998. Gedurende de laatste anderhalf jaar hiervan hebben zij samengewoond. Na het verbreken van de relatie tussen partijen is [het kind] op [geboortedatum] geboren. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [het kind].
2.2. Bij beschikking van de rechtbank te Haarlem van 23 februari 1999 is mr. M.J.F.A. Mutsaers benoemt tot bijzonder curator over [het kind].
2.3. De moeder heeft geleden aan depressieve stoornis. Zij is enige tijd arbeidsongeschikt geweest. Sinds augustus 1999 is zij weer drie dagen in de week werkzaam als computerprogrammeur bij de [werkgever]. Ze staat nog onder behandeling van een psychiater.
2.4. Sedert augustus 1998 heeft de vader de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft afstand gedaan van de Peruaanse nationaliteit. Hij is werkzaam in de off-shore industrie.
2.5. Moeder heeft de relatie van partijen verbroken negen dagen nadat zij ervan op de hoogte was dat zij in verwachting was. De vader is niet bij de bevalling aanwezig geweest. Hij is achteraf door de huisarts van partijen van de geboorte van [het kind] op de hoogte gesteld.

1.2. Verweerder in cassatie (de vader) wil [het kind] erkennen. Omdat verzoekster tot cassatie (de moeder) haar toestemming daarvoor niet wil verlenen, heeft de vader zich bij verzoekschrift van 6 november 1998 gewend tot de rechtbank te Haarlem. Hij heeft op de voet van art. 1:204, lid 3 BW vervangende toestemming verzocht.
1.3. De Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem, heeft in het kader van de procedure betreffende een eventuele omgangsregeling tussen de vader en [het kind] op 9 en 22 maart 1999 negatief geadviseerd.
1.4. De rechtbank heeft het verzoek van de vader bij beschikking van 27 april 1999 toegewezen en haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Na de uitspraak van de rechtbank is [het kind] erkend.
1.5. De moeder heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd bij beschikking van 20 april 2000. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

4.4. Een kind, dat buiten het huwelijk uit de moeder wordt geboren heeft tot vader de man, die het kind erkent. Voor de erkenning van het kind behoeft de man de toestemming van de moeder. Artikel 1:204, lid 3, BW geeft een voorziening aan de man, die de verwekker is van het kind en aan wie de moeder geen toestemming tot erkenning geeft. De verwekker kan, wanneer aan de voorwaarden van artikel 1:204, lid 3, BW is voldaan, de rechtbank verzoeken hem vervangende toestemming tot erkenning te verlenen. Uitgangspunt in deze procedure is dat, zowel het kind als de verwekker aanspraak hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Het is in dit licht niet reëel van de moeder te menen, dat de man uit het leven van het kind kan worden gebannen.

4.5. De rechter dient voor de vraag of het verzoek van de verwekker al dan niet moet worden toegewezen diens belang bij vervangende toestemming af te wegen tegen de vraag of erkenning door de verwekker van het kind de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden. (…)

4.6. Bij het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind, welk belang onder omstandigheden de wederzijdse aanspraken van het kind en zijn verwekker op erkenning van hun relatie als familierechtelijke betrekking kan doorbreken, moet naar het oordeel van het hof onder andere gedacht worden aan situaties waarin de moeder reeds geruime tijd het kind alleen of met een nieuwe partner heeft verzorgd en opgevoed en waarin de verwekker er blijk van heeft gegeven zich niets van het kind aan te trekken, maar waarin laatstgenoemde nadien van mening is veranderd. Voorts wordt blijkens de wetsgeschiedenis gedacht aan situaties waarin de moeder is verkracht. In dergelijke gevallen zal het belang van de moeder bij niet erkenning (kunnen) prevaleren boven dat van het kind en de verwekker bij wel erkenning. Dergelijke situaties doen zich in het onderhavige geval niet voor. Ook overigens is uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen niet gebleken van een situatie waarin de belangen van de verwekker en het kind bij erkenning zouden moeten wijken voor de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind.

4.7 Van schade aan de belangen van het kind kan worden gesproken als er tengevolge van de erkenning door de man voor het kind reële risico's zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou zich onder meer kunnen voordoen, wanneer de moeder tengevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren, dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden, dat het nodig heeft. In dat geval zou de vervangende toestemming tot erkenning niet opwegen tegen het belang van het kind de verwekker als juridische vader te hebben en het belang van de verwekker zijn kind te erkennen.

1.6. Tegen deze beschikking heeft de moeder tijdig beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft drie cassatiemiddelen aangevoerd. De vader heeft een verweerschrift ingediend.

2. Beoordeling van de cassatiemiddelen

2.1. Middel I

2.1.1. Middel I klaagt dat het hof heeft miskend dat de toestemming van de moeder slechts door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, zodat bij de beantwoording van de vraag of de vervangende toestemming kan worden verleend, het belang van de verwekker pas een rol kan spelen nadat is vastgesteld dat de eerdergenoemde belangen van moeder en kind door de erkenning niet worden geschaad.

2.1.2. Het betoog in middel I komt erop neer dat er een hiërarchie bestaat tussen de verschillende af te wegen belangen. Dit betoog vindt echter geen grond in de wetsgeschiedenis. Daaruit blijkt juist het tegendeel (MvT Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24 649 nr. 3, p. 10-11): Een weigering toestemming te geven behoeft niet te worden gemotiveerd, maar is wel aan rechterlijke toetsing onderworpen in die gevallen dat de man die zou willen erkennen de verwekker is van het kind. Zowel het kind als de verwekker hebben aanspraak dat hun relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke rechtsbetrekking (HR 8 april 1988, NJ 1989, 170). In de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Primair staat het belang van de verzoeker bij het tot stand komen van de familierechtelijke rechtsbetrekking. Zijn belang kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden worden als de toestemming zou worden vervangen. Vaak zullen de belangen van kind en moeder parallel lopen. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de schade die de verhouding van moeder en kind kan oplopen, indien de verkrachter zijn kind zou willen erkennen. Zijn de verhoudingen tussen de verwekker die wil erkennen en de moeder slecht en wordt de erkenning gebruikt om een doorbraak in de verhouding te forceren, dan kunnen de belangen van het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met haar kind zwaarder wegen dan die van de aspirant-erkenner. Dat hoeft niet steeds het geval te zijn. De man kan geruime tijd meer dan de moeder de zorg voor het kind hebben gehad, maar op enig moment door de moeder ten onrechte buiten de deur zijn gezet. In een dergelijk geval kan het belang van het kind juist gediend zijn bij een erkenning. Voorts wijs ik op de volgende passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 24 649, nr. 6, p. 20-21: De man die de verwekker is van het kind en het kind wil erkennen, maar stuit op een weigering toestemming te geven tot de erkenning, heeft in zoverre een andere positie dan de moeder dat hij een verzoek tot de rechter dient te richten. De moeder en/of het kind kunnen in dit stadium een afwachtende houding aannemen. Start de verwekker de procedure bij de rechter dan is vanaf dat moment zijn positie niet anders dan die van de moeder en/of het kind. Door de rechter zal het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. De leidraad voor die afweging wordt gegeven in artikel 204, derde lid. Als er geen regelmatige relatie bestaat of bestond tussen de verwekker, de moeder en het kind, dan zal het belang van de verwekker om zijn biologisch vaderschap juridisch erkend te zien en zijn belang om in juridische zin vader te zijn van het kind met de daarbij behorende rechten en plichten moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind, zoals genoemd in artikel 204, derde lid. De duur van de zorg voor het kind is daarbij voor de positie van de verwekker niet doorslaggevend. Die zorg kan bij voorbeeld nog maar kort zijn, omdat het kind pas geboren is. Zou de duur van de zorg in een dergelijk geval wel doorslaggevend zijn, dan zou de weigering toe te stemmen tot de erkenning kort na de geboorte van het kind, de verwekker inderdaad in een achterstandspositie plaatsen. In een dergelijk geval moeten andere argumenten naar voren komen die een weigering van de toestemming werkelijk kunnen dragen. Een slechte relatie tussen de verwekker en de moeder die effect heeft op het kind kan daarbij bij voorbeeld een rol spelen. Zie verder S. F. M. Wortmann, Het derde wetsvoorstel herziening van het afstammings-en adoptierecht, FJR 1996, p. 128.

2.1.3. Het hof heeft in rov. 4. 5 vooropgesteld dat de rechter voor de vraag of het verzoek van de verwekker al dan niet moet worden toegewezen diens belang bij vervangende toestemming dient af te wegen tegen de vraag of erkenning door de verwekker van het kind de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden. In rov. 4.6 heeft het hof enkele voorbeelden uit de parlementaire geschiedenis genoemd van situaties waarin het belang van de moeder bij het weigeren van toestemming zal kunnen prevaleren boven het belang van de verwekker bij erkenning. Het hof heeft geconcludeerd dat van dergelijke situaties in het onderhavige geval geen sprake is en dat ook overigens uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen niet is gebleken van een situatie waarin de belangen van de verwekker en het kind bij erkenning zouden moeten wijken voor de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind. Aldus oordelend heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

2.1.4. Onderdeel (c) bevat de klacht dat het hof wat de belangen van het kind betreft in rov. 4.7 slechts in abstracto heeft aangegeven wanneer de belangen van het kind door erkenning geschaad zouden kunnen worden, doch heeft verzuimd in concreto te toetsen of de belangen van [het kind] door de erkenning worden geschaad.

2.1.5. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft rov. 4.7 kennelijk niet (uitsluitend) bedoeld als een beschouwing in abstracto over de omstandigheden waaronder sprake zou kunnen zijn van schade aan de belangen van het kind, maar wel degelijk (ook) als een oordeel, dat van zodanige schade in het onderhavige geval geen sprake is. Naar het mij voorkomt blijkt dit duidelijk uit de laatste volzin van rov. 4.7.

2.2. Middel II

2.2.1. Middel II klaagt dat het hof een aantal essentiële stellingen heeft gepasseerd, die indien zij zouden komen vast te staan, zouden moeten leiden tot de conclusie dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met haar kind worden geschaad. Het betreft de volgende stellingen:
a. het kind was wat de man betreft niet gewenst (verweerschrift eerste aanleg, nr. 2-4, appèlschrift nr. 2);
b. de moeder heeft depressieve klachten die worden verergerd door contacten met de vader en door contacten tussen het kind en de vader (appèlschrift nr. 3);
c. de moeder vreest dat de vader het kind van haar zal willen afnemen ofwel door gezag over het kind te verzoeken of door het kind mee te nemen naar Peru (appèlschrift nrs. 2 en 3);

2.2.2. De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft deze stellingen blijkens zijn rov. 4.2 niet over het hoofd gezien, maar heeft (kennelijk) geoordeeld dat ze onvoldoende onderbouwd tegenover de betwisting van de man (stelling a, rov. 4.3), respectievelijk niet van voldoende gewicht (stelling b, rov. 4.6), respectievelijk onvoldoende aannemelijk (stelling c, rov. 2.4 en 4.6) zijn.

2.2.3. De afweging die het hof in het onderhavige geval heeft gemaakt, acht ik in het licht van de parlementaire geschiedenis overigens niet onbegrijpelijk. Alleen in zeer duidelijke gevallen zou de vervangende toestemming geweigerd moeten worden. Ik wijs op de MvT p. 11 (zie nr. 2.1.2), waarin de verkrachter wordt genoemd, en de navolgende passage waarin het geval wordt genoemd waarin de aspirant-erkenner het kind lange tijd links heeft laten liggen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, nr. 28, p. 8): Op zichzelf zal een zekere emotionele weerstand tegen de erkenning onvoldoende zijn om de erkenning niet door te laten gaan. De moeder heeft de toestemming tot erkenning al geweigerd en had dus al (emotionele) weerstand tegen de erkenning. De vervangende toestemming tot erkenning zou, uitgaande van een dergelijke maatstaf, een wassen neus zijn. Zou echter duidelijk worden dat de weerstand van de moeder belangrijke negatieve gevolgen heeft voor de positie van het kind, dan kan een en ander anders komen te liggen. Het belang van het kind zou dan wel eens niet gediend kunnen zijn met de erkenning. De emotionele weerstand van de moeder kan ook voortvloeien uit het feit dat de verwekker iemand is die zich nimmer iets van het kind heeft aangetrokken en met de erkenning in feite geen goede bedoelingen heeft. De verhouding tussen moeder en kind kan dan zo verstoord raken dat er reden kan zijn geen vervangende toestemming te verlenen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de moeder meer naar voren zal moeten brengen dan enkel emotionele weerstand.
2.3. Middel III

2.3.1. Middel III ten slotte klaagt dat het hof heeft miskend dat het belang van het kind meer is dan de in rov. 4.7 genoemde evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. De steller van het middel noemt in dit verband de psychische belasting die de moeder door de erkenning ervaart en de weerslag die dat heeft op het kind.

2.3.2. Ik stel voorop dat de afweging van wat in een concreet geval het belang van het kind is, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Wat betreft de psychische belasting die de moeder ervaart, heb ik in nr. 2.2.2 opgemerkt dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat die omstandigheid van onvoldoende gewicht is. In nr. 2.2.3 voegde ik daaraan toe dat ik die afweging in het licht van de parlementaire geschiedenis niet onbegrijpelijk acht. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat hetzelfde opgaat voor de weerslag die daarvan voor het kind is te verwachten (zie nr. 2.1.5). De klacht faalt derhalve op dezelfde gronden als uiteengezet in nr. 2.2.2 en 2.2.3.

3. Conclusie

De cassatiemiddelen alle ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

--

Labels:

  •      

Jongerenrecht

Slecht opgeleid naar afghanistan

Ongeloof in seks voor het huwelijk

Vele doden bij Love Parade

Krappe bovenkamers duurder dan studiebeurs

Laura Dekker en rechten van jongeren in nederland

Moeders pap pot binding hindert jongeren bij vinden werk

Ex-moeders vaker gedaagd door justitie

Kinderrechten en de plichten van een arts

Opvoeden

Inhuren praktijk-docenten MBO uit bedrijfsleven

Dirk Janssen nederlandse jongeren vertegenwoordiger

Opvoeden van arrogant, regentesk populisme

Noodgebouwen basis onderwijs aanpakken

Ontbrekend in Kopenhagen waarop de wereld wacht

Generation Islam - Children of afghanistan and gaza

Foto materiaal LTO Nederland actie

Voortgezet onderwijs na een mindere basisschool

Jeugdzorg

Manifest privacy, rechtshulp en waarheidsvinding

Jeugdzorg in nederland, drama van de eerste orde

Manifest Jongleur over de schreef

Coalitie wil groei aantal uithuisplaatsingen stoppen

Leger des heils haalt bakzeil bij uithuisplaatsing

Herstel van gezinnen en goedkope hulp

Debat over wantoestanden bij jeugdzorg

Zorgen met betrekking tot jeugdzorg

Mysterie van jeugd zonder gezin op een rijtje

Dure feestjes van jeugdzorg

Gezondheid

Baby verlof voor vader naar minimaal twee weken

Snel afgeleide mensen zijn meer creatief

Plan voor behandelen benauwde Co-Ouders

Onderzoek sport voor vaderloze kinderen

Honderden kinderen gaan jaarlijks de separeercel in

Geef huisarts grotere rol bij probleemgezinnen

Handhaven

Jill Egizii: Effect change and get court judges

Stop gemeentelijke vervreemding van kinderen

Behoud van familieleven bij scheiden is feestje waard

Moeders vaker gedaagd door justitie

Strafbare onttrekking aan de ouderlijke macht

EénVandaag over handhaven omgangsregeling

Televisie discussie over zorgplicht van beide ouders

Rechter negeert vader rechten bij scheiding

Rechter overtreedt te vaak wet bij scheiding

Klachtencommissie: Informeren béide ouders

Klassieke Co-Ouder regeling

Muziek

Jeffrey zingt voor zijn vader

Marco Borsato - Dochters uit beklemming

Jeff van Vliet - 't Is niet mijn fout

Dio - Alles doen om het weer aan te maken

Lawineboys - Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben

Kinderen voor kinderen - Foto album - Willem Wilmink

Koen Wauters - Passie - Zie me graag

Kinderen voor kinderen - Ha ha ha je vader

Economie

Opbouwen met elkaar en financiëel kringlopen

Nieuwe kans op kwaliteiten spoorlijn A'dam-Groningen

Drie keer nadenken over kinderopvang

Toekomst gloort hoop tegen sociaal culturele achterstand

Stop gemeentelijke vervreemding van kinderen

Vrijheid deed haïtianen sociaal en economisch das om

De economie van haïti in drenthe

Noodhulp actie haïti heeft cholera ramp niet voorkomen

Ontbrekend in Kopenhagen waarop de wereld wacht

Moeders pap pot binding hindert jongeren bij vinden werk

Vader crisis en economie

Cijfers

Vaderen over nederland

Vaderverstoting in nederland

Problemen van kinderen in kaart met onderzoek

Moderne rolopvattingen en herleving sociale economie

Aanvragers van echtscheidingen

Cijfers van CBS over aantal scheidingen

Eerste proefschrift ouderverstoting goedgekeurd

Flitsscheiding beëindigde 30.000 relaties

Geld

Co-Ouders zijn kredietwaardig

Co-Ouders en fiscale regels voor de Benelux

Kinderbijslagplan voor gescheiden vaders

Omgangsregeling en naleven regelen in éen rechtszaak

Steeds meer fricties tussen mensen en traditionele justitie

Affectieschaden aanpakken

Relaties

CO-Ouder clubs online

Regionale justitie contactgegevens

Politiek 1.0

Eén op drie kinderen in problemen door scheiding

Collegevorming na raadsverkiezing drenthe

Ronald Palsterk over pvda verkiezingsnederlaag

Brief aan tweedekamer lid Fatma Koser Kaya van D66

Repressie

Politiebureau zet vader onder druk: 'afstand doen van kinderen'

Negatief advies welstandscommissie is vaag

Ongeloof in seks voor het huwelijk

'Kinderen van mensen die nooit getrouwd zijn geweest'

échte zoon van zijn éigen vader

Agente werpt steen door ruit bij redacteur Kind in de knel

Dissidente mensenrecht activist Cuba verhongert

Nicolaas Beugeling, vrouw en kind te Veenhuizen

Nobel Prijs Vrede naar mensenrecht activist Liu Xiaobo

Omgangsonrecht - het boek van Tjerk Bakker

Steeds meer fricties tussen mensen en traditionele justitie

Écht regelgeven 3.0

Manifest Integriteit van Co-Ouderen

In voorspoed en geluk vader zijn met levensgezel europa

Uitspraak vervangende toestemming erkenning

Belgische wet Co-Ouders bestaat 15 jaar

Brad Pitt trouwt pas als homo’s het óok mogen

Koppel alimentatieplicht en omgangsregeling

Fiscaal Co-Ouderen in de Benelux

Omgangsonrecht met kinderen na scheiden

Co-Ouder na scheiding is de norm in België

Claim na geruchtmakend Bolderkar drama

Open knowledge and freedom of communication
StatCounter geeft relevante overzichten
CSS validator test Tidy test
Een ánder Europa is mogelijk